Dure kankergeneesmiddelen, therapeutische of budgettaire hardnekkigheid?
09 december 2011
Moeten we peperdure kankermedicatie toedienen terwijl we weten dat vele van deze geneesmiddelen amper een paar weken of maanden het leven van de kankerpatiënt verlengen? Deze vraag beheerst al enkele dagen het debat in de media sinds professor JeanJacques Cassiman, voorzitter van de Liga tegen Kanker, deze discussie opende met als antwoord “nee, artsen kunnen mensen beter voorbereiden op het feit dat ze gaan sterven”. Merkwaardig dat tot nu toe de volgende vraag in dit debat nog nergens is aan bod gekomen: waarom zijn die nieuwe kankergeneesmiddelen zo duur?
Waarom zijn de nieuwe kankergeneesmiddelen zo duur?
Laat ons dit illustreren met het innovatieve Herceptine, dat bij 20% van de borstkankerpatiënten zeer effectief is met relatief geringe nevenwerkingen. De prijs van Herceptine in België is 35.000 euro per patiënt per jaar. Nochtans is Herceptine het resultaat van 20 jaar basisonderzoek gefinancierd door publieke gelden. Genentech nam een patent op het geneesmiddel en investeerde 200 miljoen dollar in de verdere ontwikkeling. Roche nam een licentie en commercialiseerde Herceptine. De verkoop ervan bedraagt meer dan 2 miljard euro per jaar. Het is duidelijk dat de kostprijs van Herceptine in geen enkele verband staat tot de reële ontwikkelingskosten. Roche rekent de hoogst mogelijke prijs aan die een vrouw met borstkanker of die onze ziekteverzekering bereid is om te betalen. Dit is geen kwestie van hoge kosten omwille van innovatie, maar van patent misbruik.
Het verhaal van Herceptine is gelijkaardig met dat van de ontwikkeling van andere kankergeneesmiddelen. Met dat verschil dat velen van hen bovendien weinig effectief zijn en hoogstens het leven van de lijdende kankerpatiënt met enkele weken of maanden kan verlengen. De farmaceutische industrie vraagt echter voor deze geneesmiddelen 100.000 à 200.000 euro voor een behandelingskuur.
Wanneer echte innovatieve geneesmiddelen zoals Herceptine de duurzaamheid van onze solidaire ziekteverzekering onder druk zetten, dan moet de regering orde op zaken zetten. Dit kan ze doen door toepassing van dwanglicenties. Bij dwanglicenties verplicht de overheid een bedrijf een licentie van een belangrijk geneesmiddel te geven aan bijvoorbeeld een bedrijf dat goedkoop produceert, in ruil voor een billijke vergoeding aan de patenthouder. Het internationale patentrecht laat toe die dwanglicenties te gebruiken in geval van nood. "Als het vrije ondernemingsbeleid botst met de vrijheid op leven, welke vrijheid zullen we dan moeten inperken?", vraagt Jerry Avorn, farmaca-epidemioloog aan Harvard, zich af. "De functie van dwanglicenties is een wettelijke kwestie, maar de toepassing ervan vereist politieke wil."
Patentgerichte of patiëntgerichte geneeskunde?
Dwanglicenties is een verworvenheid van de strijd van Derde Wereldlanden voor de toegang tot HIV geneesmiddelen. Maar het is de Verenigde Staten die gedurende de bioterroristische dreiging met Anthrax in 2002 voor het eerst gedreigd heeft met dwanglicenties tegen Bayer, producent van het enige antibioticum dat werkt tegen Anthrax. Bayer was onmiddellijk bereid om zijn prijzen drastisch te laten zakken.
Een andere piste om woekerprijzen van innovatieve kankergeneesmiddelen tegen te gaan bestaat erin het klinisch onderzoek te decommercialiseren. Marcia Angell, voormalig hoofdredacteur van de New England Journal of Medicine, krijgt veel steun bij haar oproep voor een onafhankelijk wetenschapsfonds dat alle klinisch onderzoek financiert en uitbesteedt aan de universiteiten, betaald met belastingen op de buitensporige winsten en marketingbudgetten van farmamultinationals.
Maar ook de civiele maatschappij roert zich tegen het misbruik van patenten dat de gezondheid en gezondheidszorg overal ter wereld in gevaar brengt. Volksorganisaties en ngo's zoals Artsen zonder Grenzen manifesteren in zuidelijk Afrika, over India tot Zuid-Korea tegen het feit dat voor Big Pharma patenten belangrijker zijn dan patiënten. In Zuid-Afrika heeft Big Pharma hierdoor al moeten terugkrabbelen.
De onderhandelingspositie van de overheid tegenover Big Pharma wordt ook door het kiwimodel versterkt. Via zogenaamde ‘cross deals’ gebruikt de overheid de gemeenschappelijke koopkracht om bij de producent van een echt innovatief geneesmiddel betere prijzen te bedingen. De overheid onderhandelt in dat geval op een slimme wijze met een bepaald bedrijf over het geheel van zijn medicijnenaanbod. Zo wist de Nieuw-Zeelandse overheid voor Glivec van Novartis, een innovatief en duur geneesmiddel voor een bepaalde vorm van bloedkanker, zeer gunstige voorwaarden te bekomen. Ze koppelde de terugbetaling van Glivec aan prijs-volumeafspraken voor de andere geneesmiddelen van Novartis, zodat haar totaal budget voor geneesmiddelen niet werd overschreden.
Artsen willen zieken genezen, willen nog iets kunnen doen, willen behandelen. De meesten doen dit ter goedertrouw. Hierop speelt de farmaceutische industrie op in om via haar MOL’s (medische opinieleiders of professoren betaald door de industrie om hun product op de markt te zetten), medische vertegenwoordigers en andere lobbyisten ook in uitzichtloze situaties peperdure, maar weinig zinvolle behandelingen te doen toepassen. Ook hier brengt het kiwimodel soelaas. Bij het kiwimodel is er een onafhankelijk team van deskundigen die op basis van objectieve criteria en studies de waarde van de verschillende geneesmiddelen kan vergelijken en de beste keuzes kan maken. Zinloze behandelingen worden uitgesloten van terugbetaling.
In de meeste gevallen is de vraag voor al of niet verdere behandeling een persoonlijke keuze, die de patiënt samen met de arts en zijn naaste omgeving dient te maken. Indien de patiënt het aan kan dient de arts zijn patiënt eerlijk, geduldig, verstaanbaar, maar gedegen en betrouwbaar te informeren over de pro’s en de contra’s, over echte hoop op verbetering of uitzichtloosheid van de behandeling… Dan kan de patiënt samen met de arts zijn geïnformeerde en doordachte keuzes maken. Deze methode heet patiëntgerichte geneeskunde. Er is wetenschappelijk bewijs dat hierbij zowel patiënt, zijn naaste omgeving, als de arts zich het best voelen en het stervensproces menswaardiger maakt. In ieder geval mag de patiënt nooit wakker liggen van de prijs of bang zijn geen behandeling meer te krijgen.
Therapeutische of budgettaire hardnekkigheid?
Dokter Louis Ide, gezondheidsspecialist van de N-VA, gebruikt dit debat om drastische besparingen in de gezondheidszorg te legitimiseren: “We moeten nadenken over de toenemende kostenexplosie in de gezondheidszorg. In tijden van budgettaire krapte is dat een zeer actuele, maar wel moeilijke discussie. Die discussie zal ook moeten gaan over therapeutische hardnekkigheid tijdens de laatste levensmaanden”. (DM 8 december 2011) Oppositiepartij N-VA is het alvast met één zaak roerend eens met de regering Di Rupo, de groeinorm in de gezondheidszorg moet sneuvelen om de putten te vullen die speculerende bankiers in onze schatkist hebben geslagen.
Groeinorm is nodig om schrijnende noden te lenigen
“Er zijn veel studies die aantonen dat patiënten baat hebben bij palliatieve zorg”, zegt Wim Distelmans, oncoloog en professor palliatieve geneeskunde aan het UZ Brussel. “Ze leren omgaan met hun doodsangst en krijgen pijntherapie. Maar veel artsen weten er weinig over. Daarom stellen ze het niet aan hun patiënten voor.”(DM 7 december 2011) Dat er nog enorme nood is aan investering in palliatieve zorg bewijzen de cijfers die de Vlaamse Liga tegen Kanker deze zomer bekend maakte. De gemiddelde jaarlijkse medische zorgkost per kankerpatiënt die bij de Liga een dossier had bedroeg 1.775 euro. Eén op vier gaf betaalde jaarlijks meer dan 2.795 euro uit eigen zak. Twee op drie had geen terugbetaling van een hospitalisatieverzekering, één op twee leefde met een inkomen onder de armoedegrens. (www.kankermaaktarm.be )
Het herstel van de 4,5% groeinorm in de gezondheidszorg is nodig om al die diepmenselijke noden te lenigen. De middelen daarvoor kunnen en moeten gehaald worden bij de 1% rijksten, door bijvoorbeeld de miljonairtaks toe te passen.




Reacties
Dwanglicenties en de farmapropaganda
Ingezonden door Anoniem op za, 10/12/2011 - 09:56
Akkoord met de grote lijnen van dit artikel maar toch graag twee correcties:
- Dwanglicenties zijn geen verworvenheid van de strijd van Derde Wereldlanden voor de toegang tot HIV geneesmiddelen. Ze bestaan al van bij het begin van de WTO en het TRIPS akkoord. (Dat was in 1995 toen er zelfs nog geen HIV geneesmiddelen waren.) Het is een veel voorkomende misvatting dat de dwanglicenties pas later werden ingevoerd als correctie op het TRIPs akkoord.
- Dwanglicenties mogen niet alleen "in geval van nood" gebruikt worden. Er is dus geen noodsituatie nodig om een dwanglicentie uit te schrijven. (In een noodsituatie mag men wel een verkorte procedure volgen.)
Beide misvattingen zijn wijd verspreid, zelfs onder progressieve activisten. Dat toont aan hoezeer de propaganda machine van de industrie erin geslaagd is om misvattingen ingang te doen vinden, zelfs bij haar tegenstanders. Dwanglicenties worden voorgesteld als "een toegeving onder druk van de Derde Wereld" die "enkel in urgenties mag gebruikt worden". Twee keer fout dus: De farmaceutische industrie heeft nog nooit enige toegeving gedaan en dwanglicenties zijn een 'normale', logische maatregel die van bij het begin in de internationale akkoorden voorzien was. Door de propaganda machine van de industrie kunnen ze zichzelf afschilderen als 'toegeeflijk' en dwanglicenties als iets voor in uitzonderlijke gevallen.
Zie voor meer info de FAQ op de website van de WTO zelve (die dus wel heel eerlijk is over deze materie): http://www.wto.org/english/tratop_e/trips_e/public_health_faq_e.htm
Are these flexibilities new?
No. They always existed in the TRIPS Agreement, ever since it took effect in January 1995.
Does there have to be an emergency?
Not necessarily. This is a common misunderstanding. The TRIPS Agreement does not specifically list the reasons that might be used to justify compulsory licensing. However, the Doha Declaration on TRIPS and Public Health confirms that countries are free to determine the grounds for granting compulsory licences.