Jonathan is doodop
Ingezonden door Eric Hufkens op do, 09/06/2011 - 19:38
Maandagochtend kwam Jonathan langs op consultatie. Jonathan is een jonge knaap die in blakende gezondheid verkeert. Af en toe komt hij eens langs met een klein kwaaltje, meer niet.
Drie maanden geleden heeft hij na lang zoeken werk gevonden. Toch ziet hij er bezorgd uit. Al gauw wordt mijn indruk bevestigd. “Dokter, ik ben doodop,” zegt hij. Hij toont mij z’n handen. Ze beven. “Ik was zo blij dat ik eindelijk werk gevonden had. Eindelijk de kans om in mijn eigen onderhoud te voorzien. Ik heb een contract van bepaalde duur, dus ik kan het me niet veroorloven ziek te vallen. Maar ik kan niet meer. Ik hou van mijn werk, maar m’n baas vraagt te veel van mij. Het is nooit genoeg. Ik moet bestellingen klaarzetten voor de klanten. Als ik mijn werk goed wil doen, kan ik er vijftien per dag doen. Maar mijn baas wil dat ik het dubbele doe, soms zelfs meer. Ik heb gewoon geen tijd meer om te eten. Als ik eens vijf minuten neem om vlug een boterham te eten, dan riskeer ik al onder mijn voeten te krijgen omdat ik niet aan het werk ben. Mijn baas zegt mij voortdurend dat ik een mooi salaris heb en dat ik niet moet profiteren. Ik presteer veel overuren om het werk af te krijgen. Allemaal onbetaalde uren… Wat moet ik doen?”
Geen simpele vraag. Eerst en vooral overtuig ik Jonathan ervan dat het in zijn toestand absoluut noodzakelijk is dat hij een paar dagen ziekteverlof neemt. Daarna overlopen we samen het werk dat hij dagelijks uitvoert. Kan hij het werk alleen aan? Doen zijn collega’s hetzelfde werk? Dan ervaren zij toch dezelfde problemen? Kan Jonathan op zijn werk bij iemand terecht? Door op die manier de werksituatie helemaal te ontleden beseft Jonathan dat het zijn schuld niet is dat hij niet alles gedaan krijgt wat hem gevraagd wordt. Men vraagt hem gewoonweg te veel.
Het bedrijf waar Jonathan werkt, is gevestigd op een van de industrieterreinen in het noorden van Charleroi, niet ver van de luchthaven. Er zijn daar tientallen KMO’s, waar er – op één uitzondering na – nergens een vakbondsdelegatie is. Zelfs de paar bedrijven met meer dan vijftig personeelsleden hebben geen vakbondsdelegatie, zoals de wet nochtans voorschrijft. Om die wettelijke verplichting te omzeilen hebben ze zich opgesplitst in aparte bedrijfjes van minder dan vijftig werknemers. Achter de prachtige glazen, blinkende metalen en houten façades van die moderne bedrijfjes van de industriezones schuilt meer ellende en miserie dan achter de grauwgrijze gevels van de oude staalindustrie.
Ik tik de naam van het bedrijf in in Google. Naast een foto van de breed glimlachende grote baas staat te lezen: “Met een gelijk gebleven omzet zijn we erin geslaagd de winsten te doen stijgen. Onze strategie: de kosten onder controle houden.”
“De kosten onder controle houden”, dat wil zeggen beknibbelen op de werkomstandigheden en op de gezondheid van het personeel. Wie wordt daar beter van?
Na ons gesprek voelt Jonathan zich al (een beetje) beter. Als hij weer aan het werk gaat, zal hij zijn baas laten weten dat zijn gezondheid geen “kost” is die eindeloos kan uitgeperst worden.



